In menige Brabantse parochiekerk kwam bij het Maria-altaar een aparte devotieretabel ten behoeve van de Brabantse jongelingen die scheepgingen naar het Verre Oosten om het Vaderland te dienen bij de terugdringing van de Japanse horden.
De politionele acties 1946-1948
Dat was het oorspronkelijk parool. Het ging, zo zei Den Haag, om een bevrijdingsoorlog en verdediging van oer-Nederlands grondgebied. Deze doelstellingen bleken echter politiek te verkleuren. Het bleek toch wel degelijk te gaan – en dat werd in Brabant uiteindelijk ter dege begrepen – om een reconsolidatie van het Nederlands koloniaal gebied, waaronder eventueel een uitbreiding van de rechtsmacht over Nieuw-Guinea.
Want Tokio had een integrale capitulatie al aanvaard op 15 augustus 1945. De vraag kon gesteld worden waarom Nederland door bleef gaan tienduizenden dienstplichtigen, vaak eigenlijk tegen hun wil, in te zetten bij operaties die vergoelijkend ook “politionele acties” werden genoemd. Ze hadden een omvang, intensiteit en penetratievermogen die ver te boven gingen vergeleken met de rechtshandhavingsacties die vóór 1942 werden uitgevoegd door de brigades van het Koninklijk Nederlands Indisch Leger. Bij de eerste actie waren de Nederlandse diepte-investeringen op Java effectief veiliggesteld.
Failliet Nederland zonder deviezen
De nationalistische regering van Soekarno had ze ook erkend en had toegestaan dat eventuele schadevergoedingen zouden worden uitgekeerd aan de Nederlandse bedrijven, mits via Ronde Tafel-onderhandelingen. Maar bij de Tweede Politionele Actie, waarbij het nationalistisch regeringscentrum Jogjakarta was bezet door de Nederlandse troepen lag het beslist anders. Dat was niet gebeurd om aldus een betere onderhandelingspositie te krijgen bij de financiële tegemoetkomingen waaronder Indonesië nog decennia zou gebukt gaan. Kon de tussenkomst van de Heilige Moedermaagd wel met vrucht ingeroepen worden om de winstmaximalisatie van de dividendhouders blijvend veilig te stellen? Die vraag werd toch in Brabant indringend gesteld, ook al omdat de Verenigde Naties deze actie volledig afkeurde.
Als Nederland bijna failliet was – zoals de minister van Financiën Piet Lieftinck in de Tweede Kamer aantoonde – was het dan toch beter die dienstplichtigen terug te roepen? Wat kostte het op maandbasis wel om dergelijke eenheden op de been te houden en tot acties te brengen? Piet rekende het nauwkeurig voor. Op de week af gaf hij aan wanneer Nederland geen buitenlandse deviezen meer zou kunnen krijgen. Omdat het buitenland toch ging vragen hoe te verklaren was dat Nederland al die legereenheden kon bekostigen met de heilloze acties van dien en anderzijds betuigde niet zonder Marshallhulp te kunnen.

Brabantse Kamerleden gingen ook die vraag stellen, zij het met huivering. Want Romme wilde haar niet horen en zéker het congruente antwoord niet. Dat zich overigens toch deed horen, maar dan via buitenparlementaire acties. Beel, op verkiezingstournee voor de kersverse Katholieke Volkspartij, kwam er duchtig door in de perikelen. Drees, minister-president van het rooms-rode kabinet begon steeds sterker aan te dringen op terugname van de dienstplichtige troepen. Die ook weinig meer begrepen van de strategie van Den Haag.
Aldus begon het retourtransport van de Brabanders langzaamaan op gang te komen. Onder druk van de supranationale opinie. Via uiterst kritische geluiden in de Linkse Pers – zoals het strijdbaar Vrij Nederland – kwam ook in Brabant steeds meer aandacht voor de merkwaardige innerlijke tegenstrijdigheid van de reconsolidatiepolitiek. Die weinig meer te maken had met rechtsherstel of missionaire bekeringsijver omdat de sawa’s “wit van oogst” zouden staan. Dat deden ze wel. Maar niet via de politionele acties. Maar via de ontwikkelingssamenwerking die de missionarissen zelf begonnen te cultiveren. Soms is het volk toch wijzer dan de bestuurders, gemijterd of niet.
Geen Katholiek Thuisfront meer
Die repatriëring van de Nederlandse militairen uit Nederlands-Indië betekende een verlies van een voor het episcopaat aantrekkelijk propaganda-object. De politionele acties hádden onmiskenbaar in de parochiekerken gezorgd voor een herlevend religieus élan. Een processie om Gods zegen in te roepen voor het welslagen van acties, het behoud van jeugdige dorpsgenoten, hun veilige terugkeer, kuis, naar ziel gesterkt en in genade verrijkt, was ontegenzeggelijk een belangrijk verbindingsmiddel geworden voor zo’n lokale geloofsgemeenschap als een parochie.
Het episcopaat wilde vóór alles absolute eenheid in een romantische en zelfs bevindelijke geloofsbeleving. Dat doel werd niet zozeer bereikt door de aankomende Koude Oorlog centraal te stellen, waarbij De Russen het moesten ontgelden als de scharen der Antichrist, opmarcherend naar een nieuw Armageddon. Reeds omdat juist de Nederlandse communisten in de bezettingsjaren zulke voortreffelijke verzetsstrijders waren gebleken. Hun prestige was nog immer hoog. Dat bleek ook steeds bij de Kamerverkiezingen.

Bureaucratische aanpassingen
Om te voorkomen dat katholiek Nederland geen steun meer zou geven aan de zielzorg voor de militairen werd in 1950 de landelijke organisatie om rechtspolitieke redenen aangepast. Een door het Episcopaat benoemde Commissie van Advies bracht eind november 1950 rapport uit waarin zij een aantal aanbevelingen deed. De voorzitter van het episcopaat was nog steeds Jan de Jong. Hij kende maar één zorg: dat de katholieken hun prachtige nationale eenheid als kerkprovincie zouden loslaten, óók in dit opzicht. Centralisatie werd het parool. En geen intrinsieke herijking van de doelstellingen van het kerkelijk apparaat dat eigenlijk toch steeds weer kritisch zou moeten staan jegens de wijze waarop de natiestaat het zwaardmonopolie moest doen gelden. Dat kon gewoonweg niet in de periode van de hooglopende Koude Oorlog.
Om het thuisfrontwerk meer te centraliseren werd de naam "Katholiek Thuisfront" veranderd in "Nationaal Katholiek Thuisfront" (NKT), terwijl Lemmens, de bisschop van Roermond, het Limburgs Thuisfront ophief. In afwijking van het verzoek van de Commissie van Advies besloot het Episcopaat in augustus 1951 de Raad van Toezicht op de oude wijze te laten voortbestaan. De teruglopende financiële bijdragen van particulieren, organisaties en parochiële afdelingen gaf het bestuur aanleiding om zich te beraden op welke wijze de geldmiddelen efficiënter voor het thuisfrontwerk benut zouden kunnen worden.
Het bestuur besloot om het hoofdbureau te wijzigen in een algemeen secretariaat en nam actief deel in de leiding waardoor het aantal werkzaamheden werd verminderd. Het episcopaat bleef zich associëren met de Nederlandse defensiepolitiek binnen de NATO en wees de neutraliteitspolitiek beslist af, als gold het hier een geloofszaak. Dienstweigeraars kregen ook binnen het Roomse Volksdeel weinig appreciatie. Dat zou de kerk juist in de zestiger jaren duchtig gaan opbreken bij het losbreken van de seculariseringstendenties, juist in het Brabantse, waar de NATO nucleaire steunpunten zou gaan vestigen. Ik laat de toponiemen Woensdrecht en Volkel even vallen.
De nieuwe organisatie van de geestelijke militaire verzorging
De in 1975 opgerichte NKT-Adviescommissie kreeg als taak in een periode van twee jaar een nieuwe organisatie van de grond te krijgen. Zij wijzigde de organisatie van het instituut "gewestelijke commissarissen". De voormalige gewestelijke commissarissen, die zich bereid verklaarden voor het NKT te blijven werken, werden per regio, als "hulppromotor", toegevoegd aan de promotor. De parochiële afdelingen vormden nog steeds de thuisbasis van waaruit het Katholiek Thuisfront haar activiteiten ontplooide.
Elke parochie in Nederland - met uitzondering van enkele, welke door ligging en/of structuur hiertoe niet in aanmerking konden komen - had of stichtte een parochiële afdeling van het Katholiek Thuisfront met een eigen gekozen bestuur. Maar echt levendig werd het niet. Niet in de volksdevotie, niet in de herdenkingen en niet in de officiële ritualistieken. Het bleef een ambtelijk vergadercircuit dat niet tot wasdom kwam. Het was te bureaucratisch en te wezenloos. Het bewees eigenlijk alleen maar dat de kerk een maatschappijbevestigend zielloos instituut aan het worden was. In de zeventiger jaren zou daar de rekening voor betaald worden. De aflossingen lopen nog, de annuïteiten ook.


