Terug naar overzichtOverzicht
Stichting Nationaal Katholiek Thuisfront (1946-1992) in Braboland (1)

Stichting Nationaal Katholiek Thuisfront (1946-1992) in Braboland (1)

Gerard Strijards

17 oktober 2024

Gedurende de ontplooiing van de militaire grondoperaties verbonden aan het strategisch plan “Market Garden” kon zich in Zuid Oostelijk Noord-Brabant het Nederlandse Militaire Gezag vestigen. Het zette zich neer in de Lampenstad Eindhoven. Dat Gezag was volledig ondergeschikt aan het militaire opperbevel van generaal Dwight Eisenhower. Het gold daarvan als een onderdeel behorend tot diens burgerlijke tros.

Market Garden en het Geloof

Maar het had ten doel voorlopig aanspraak te maken op het herstel van de interne soevereiniteit van Nederland binnen het étappegebied van Eisenhower. Het paste dus Nederlands recht toe. Opmerkelijk is dat de chef-staf van dit gezag, de generaal H.J. Kruls, meteen overging tot het rekruteren van Nederlandse oorlogsvrijwilligers (NOVW-ers) binnen de corridor die de westelijke geallieerden gezekerd hadden tussen Den Bosch en Neerpelt.

Veel jongens tegen de meerderjarige leeftijd van destijds – 21 jaar – meldden zich. Want Kruls had daartoe de beschikking over de fourages van het geallieerd gezag. De vrijwilligers werden meteen na werving, goedkeuring en aanstelling voorzien van het USA-uniform, maar dan met Nederlandse distinctieven, de bijbehorende kistjes, een dubbel stel deugdelijk ondergoed en battledress. Ze staken aldus met kop en schouders uit boven hun wat vervaalde leeftijdsgenoten, die nog langere tijd zouden blijven vallen onder het Nederlandse distributiestelsel. Waarbij de primaire behoeften, die aan de puberteit zo’n sjeu plachten te geven, óók maar op de bon bleven. Sigaretten, chocolade, aanstekers, blikjes corned beef, maar zelfs motorrijwielen waren beschikbaar voor deze NOVW-ers.  En soms zelfs stafauto’s.

Zoals bij de hierna verder te bespreken Wisse Dekker die bij Philips werkte. Dat wijst erop dat Wisse privileges genoot. Hij zou kwartiermaker worden op Java, voor het Nederlands bedrijfsleven. Dat wist al heel goed, dat er problemen zouden komen wanneer Nederland weer onbesuisd zou gaan rekoloniseren. Dat zouden de Indonesiërs beslist niet pikken.

Het oppertoezicht over dergelijke foerage-uitdelingen werd uitgeoefend door de majoor B.J. Van Os van Delden en die was niet kinderachtig. Er was dus bij de Brabo die óók weleens wat van de luxe wilde genieten van de GI-er veel animo om vrijwilliger te worden. Onder hen dus Wisse Dekker, de latere president-directeur Philips. De NOVW-er zou ingezet worden, aldus werd hem te verstaan gegeven, in het Verre Oosten. Om Japan te bevechten, dat kennelijk nog lang niet op apegapen lag. In het voorjaar 1945 was aan westelijke zijde daar iedereen nog van overtuigd. Maar sommigen wisten beter. Die waren op de hoogte dat Washington geen rekolonialiseringen meer wilde. De NOVW-ers moesten dienovereenkomstig hun militaire voorbereidingen treffen. De nakomende massale troep dienstplichtigen – uiteindelijk honderdtwintigduizend – hoefden deze politiek gevoelige informatie niet te delen. Dezen werden vooral gevonden onder het katholieke volksdeel in Brabant.

De oorlogsvrijwilliger en zijn toestemming

De NOVW-er moest een uitdrukkelijke toestemmingsverklaring geven dat hij instemde met uitzending buiten het grondgebied van Nederland in West-Europa. Destijds stond nog in die Grondwet dat Nederlandse dienstplichtigen en daarmee gelijkgestelden die toestemming uitdrukkelijk moesten geven. Wie dat deed kon uitzien op een reis naar Malakka, waar hij verder geoefend zou worden. Veel katholieke jongens zagen de kans van hun leven. De Jappen uit Nederlands-Indië jagen werd hun parool.

Gestimuleerd door hun kapelaans die ze hadden leren waarderen tijdens hun lidmaatschap van en begunstiging aan de katholieke jeugdorganisaties zoals de padvinderij, de Jonge Wacht, Sint Franciscus Liefdewerk, de Sint Joseph-Gezellen als enthousiaste aalmoezeniers. Het liep storm in Zuidoost-Brabant, mede tot zorg van ouders en voogden, die hun ooilam zagen vertrekken naar onvoorstelbaar verre oorden. Hoe zou het gaan met hun vroomheid, onschuld, reinheid en discipline? Het episcopaat vroeg het zich óók af. Mede omdat Den Haag eigenlijk nooit happig was geweest op de toelating van katholieken in het Nederlandse koloniaal gebied in het Verre Oosten.

De Gordel van Smaragd heidens terrein

De kolonisatie van de Gordel van Smaragd – zo heette Indonesië destijds óók wel, naar het tekenend woord van Multatuli, een alias van de ontslagen assistent-resident Eduard Douwes Dekker – was tussen 1602 en 1813 echt wel voorbehouden aan de protestantse notabelen van Holland en Zeeland. Brabo’s waren eigenlijk nooit welkom. Bij uitzondering kregen die toelating en altijd voorwaardelijk en onder toezicht als waren zij vreemdelingen. Den Haag placht hen te nooit te vertrouwen: ze zouden altijd met Rome heulen, ter hervestiging van het Portugees gezag dat de Indische Archipel toegewezen had gekregen als missiegebied bij het Concordaat van Tordesillas in 1494.  

Willem I had deze protestantiseringspolitiek op Java hervat. Bij het invoeren van het cultuurstelsel, dat op verkapte slavernij neerkwam, kon hij geen Toffelemonen gebruiken. Reeds omdat het ging om het wegwerken van enorme schulden, door het Hervormde Vorstenhuis gemaakt. Katholieken plachten inderdaad een tegencultuur te vestigen via hun missies, zoals die door de Strijp naar Trudo Brans geleid - en vele gemijterde Brabo’s ná hem.

Grote stukken in de Archipelgroepen kenden daarom nog steeds Roomse florerende missieposten. Met daarvan als hoofden gebaarde paters van de grotere missie-orden die ook hier aan de witte stranden met wuivende palmen het Enig Zaligmakende Geloof waren komen vestigen sedert 1595. Deze geestelijken werden voorondersteld tijdens de Japanse bezetting hun voordeel te hebben getrokken uit het daardoor ontstane Hollandse machtsvacuüm. De koloniale Hollandse bovenlaag was toen collectief geïnterneerd geweest.

De Zeven Provinciën
Hr.Ms. 'De Zeven Provinciën', in 1910 in dienst gesteld als het laatste pantserschip van de Nederlandse Marine. Na een muiterij in 1933 die bloedig werd neergeslagen, werd het schip omgedoopt tot 'Soerabaja' en gebruikt als opleidingsschip. Op 18 februari 1942 bombardeerden de Japanners voor de kust van de stad waar het schip naar was genoemd. (Collectie: NIMH, nr. 2000-386-01.)

Trudo Brans en Tarcisius Valenberg

Maar die paters hadden hun missies mogen blijven drijven, waaronder de roemruchte Apostolisch Vicaris van Sumatra Trudo Brans uit Strijp, die zelfs goede maatjes was geweest met de opperbevelhebber Imamura van de bezettingstroepen uit het land van de Rijzende Zon. Imamura was nogal onder de indruk van de Franciscaner duiveluitdrijvingsrituelen. Hij zond daarom zijn troepencommandanten graag door naar Trudo. Op Timor was iets dergelijks ook het geval geweest en ook op Borneo, waar de Brabantse Vicaris Tarcisius Valenberg best door één deur had gekund met de spaarzame Japanse commandanten. Die immers héél goed wisten dat Tokio met vuur speelde en de oorlog met de langzaam ontwakende reus USA nooit zou kunnen winnen, zeker niet nadat de Keizer zijn vliegkampschepen één voor één uit de Stille Oceaan had zien blazen door de machtige Angelsaksische smaldelen, makkelijk bevoorraadbaar vanuit Australië.

Deze geharnaste missionarissen meenden dat de Nederlandse dienstplichtige militairen die ná 1946 via het apparaat van Kruls werden uitgezonden moreel gesterkt moesten worden door sympathiebetuigingen via de parochiële periodieke pers in Brabant en door radiotelegrafische groetenuitwisselingen tussen de jongens, eenzaam in de tropen vechtend voor orde, veiligheid en gezagsherstel enerzijds en consolidatie van de staatshuishouding op Hollandse leest anderzijds, en hun verre, verre Brabantse families die hunkerden naar contacten met hun spruiten, ineens verzeild in een jungle-guerrilla. Waarin het lang niet mals placht toe te gaan. Het katholiek thuisfront had gelden nodig voor deze ondersteuningen, want vooral het radiotelefonische contact van de zender Kootwijk en Bandung was erg duur. En de ouders stelden het immers zeer op prijs de authentieke stemmen te horen van hun zoons, die zij slechts node hadden zien embarkeren op "De Zuiderkruis".

Asbak Katholiek Thuisfront

Het bisdom Den Bosch deed er door tussenkomst van monseigneur Mutsaers veel aan dat parochiële fancyfairs gelden voor dat doel collectionneerden. Bijvoorbeeld door het uitventen van de hierbij afgebeelde asbakken in namaak-Delfts Blauw, zelf gemaakte batik- en wajangpoppen en gamelanstafels in miniatuur maar ook door flakkerende filmopnames vertoond in broeihete patronaats-bovenzaaltjes waarbij de projector bediend werd door de aalmoezenier-kapelaan.

De Fransiscanen van Brans' orde te Liempde deden er alles aan dat deze geldafdrachten centraal gecollectioneerd werden en ter beschikking werden gesteld aan de Thuisfront Centrale Midden-Brabant die zich óók nog voorzag van speciaal voor de uitgezonden dienstplichtigen opgezette blaadjes met fraaie foto's over hun militaire verrichtingen (zie illustratie in deze hoofdtekst) en anderzijds het dorpsnieuws. Een regionaal mixtum zoals verwoord in blaadjes als "Rondom de auw Torre"(Oirschot) en "De Schakel" (Liempde en Veghel) die ook zonder aarzelen de eervolle vermeldingen van hun jongens op voordracht van de generaal Simon Spoor afdrukten in de gehectografeerde inlegvellen. Niemand die gedacht had, dat decennia later deze vermeldingen aanleiding konden worden om de gelauwerde alsnog oorlogsmisdaden te verwijten, nog wel met terugwerkende kracht. Zo heeft de Nemesis der geschiedschrijving soms wrange dissonanten op haar conto.

Was niet te duchten dat de Brabantse jongens, eenmaal op Malakka, volkomen uit de hand zouden lopen en opgaan in die fascinerende wereld van het Verre Oosten waar de meiden al veil waren voor een pakje sigaretten? En waar ontuchtigheden gepaard gingen van heidense stoffelijke verleidingen? De pastorale zielszorg zou Den Haag nauwelijks koesteren, dat had de koloniale werving via Kampen steeds wel geleerd.

Ouders, let op uw zaak inzake de verwildering van uw zonen

Op 29 september 1946 werd daarom het Katholiek Thuisfront opgericht naar het voorbeeld van het reeds vóór de Tweede Wereldoorlog bestaande Nationaal Roomsch Katholiek Comité voor Cultureel Werk onder Militairen. Het kreeg als doelstelling steun te verlenen aan de geestelijke verzorging van de militairen behorende tot de Nederlandse Strijdkrachten. Dus strikt beperkt tot Nederland. Daarna had de Nederlandse regering over de hele wereld troepen geworven met maar een minnetjes resultaat. Overal waar alle man van Neerlands stam zich neergelaten had, trachtte het oorlogskabinet te ronselen: binnen het Britse Empire, bijvoorbeeld in Canada en Zuid-Afrika maar ook daar, waar Nederlanders ooit hun vlag hadden geplant, tot en met de archipelgordels bij Australië en Nieuw-Zeeland.

Nooit had Den Haag daarbij ook maar een moer gegeven om de religie en nu ging het Militair Gezag ineens Brabantse katho’s ronselen? Daarom was het episcopaat waakzaam. Vandaar dat Thuisfront. De vaders, moeders, voogden en regenten in de weesgestichten dienden waakzaam te zijn.  De organisatie kende een grote bloeiperiode tijdens de ´politionele acties´ in Nederlands-Indië. Hierna voltrok zich een geleidelijke teruggang in de belangstelling van het Nederlandse volk voor de geestelijke noden in het leger. Dat ook steeds minder tot de verbeelding sprak, vooral in stoffelijk opzicht.

Lees ook het vervolg

Reacties

Reacties laden…