Toen de geallieerde macht in het luchtruim groeide werd het riskant voor de Luftwaffe om veel vliegtuigen op één vliegveld te concentreren. Rond de Fliegerhorst Volkel legde de Duitse bezetter daarom schaduwvliegveldjes aan bij Kessel, Boxmeer, Keent en De Rips.

Van deze Ausweich- of Schattenplätze is alleen Kessel ook echt in gebruik genomen. In april 1944 werden de uiterwaarden van de Maas bij de Lithse Ham verkend. Het terrein was eerder al aangewezen als noodlandingsterrein door de Nederlandse Luchtvaartbrigade.
Na aanvullende metingen werd er een grasbaan van 1.200 meter lang en 200 meter breed aangelegd. Een gevorderde woning diende de Luftwaffe als telefooncentrale en berging van seinmateriaal. De brandstof voor de vliegtuigen werd opgeslagen in de lagere school van Kessel. De benzinedepots op het terrein zelf zijn nooit afgebouwd.
In juli 1944 werden overdag op dit vliegveldje zes of zeven Junkers Ju 88 gestationeerd, die ’s nachts vanaf Volkel opereerden. Ze stonden dan onder camouflagenetten tegen de voet van de dijk geparkeerd en vlogen ’s avonds terug naar Volkel. Ca. 15 personeelsleden verzorgden de bewaking, verkeersleiding, verbindingen en brandweer. Zij verbleven niet bij het terrein, maar werden elke dag opnieuw aangevoerd.
Het Kesselse uitwijkveld werd op 9 augustus 1944 verlaten. De geallieerden werden door het verzet wel op het bestaan ervan gewezen, maar zij hebben het niet meer gebruikt.




