Bijna overal in Noord-Brabant is de afstand tot water gering. In het westen van de provincie ben je zelden meer dan 20 kilometer verwijderd van een zeearm. Verder valt Brabants noordgrens vrijwel samen met de grote rivieren en in het oosten kennen we de stroomgebieden van de Dommel en de Aa. Geen wonder dat veel Brabantse plaatsnamen een relatie hebben met water.

“en in alle gewestenwordt de stem van het watermet zijn eeuwige rampengevreesd en gehoord.”
Hendrik Marsman, Herinnering aan Holland (1936)
Risico’s

De ligging van onze provincie ten opzichte van het water heeft zeker economische voordelen opgeleverd, maar brengt ook risico’s met zich mee. Kunnen we het ons voorstellen: Nederland zonder dijken? De helft van West-Brabant zou één watermassa worden en zelfs ‘s-Hertogenbosch zou aan zee liggen. Ten oosten van die stad zou het Maaswater reiken tot de lijn ’s-Hertogenbosch-Oss-Cuijk. En doordat Aa en Dommel hun water niet meer kwijt konden, zou een strook langs die rivieren tot de Belgische grens en de Peel overstroomd zijn.

Maar gelukkig zijn er wel dijken, al is de kans dat die zullen doorbreken niet overal gelijk. Bedraagt die kans in de Randstad 1:10.000 en in Zeeland 1:4.000, in West-Brabant is de kans groter: 1:2.000, en langs de Maas moeten ze het doen met 1:1.250. Aldus het risicoplaatje anno 2011. Maar ook bij deze cijfers blijven overstromingen dus tot de mogelijkheden behoren, zoals bleek in 1993 en ‘95. En een overstroming heeft onherroepelijk tot gevolg dat de bewoners van het getroffen gebied lijden onder het water.
Waterrampen
Eeuwenlang zijn de overstromingsrisico’s vele malen groter geweest dan in de 21e eeuw. Stille getuigen van de talrijke rivierwatersnoden zijn de vaak pittoreske waterpartijen langs de Maasdijken, de wielen. Deze ontstonden na een dijkdoorbraak, waarbij het binnenstromende water metersdiepe kolken uitschuurde.

Die kolken waren zo diep, dat het loonde om de nieuwe dijk eromheen te leggen. Vandaar dus het kronkelend verloop van deze dijken.
De overstromingen langs de rivieren hebben zich eeuwenlang voorgedaan. De omvang, de schade en het aantal slachtoffers per waterramp waren niet zo hoog, maar vooral in de periode 1850-1930 braken de dijken wel regelmatig.
Doordat Noordoost-Brabant bovendien te kampen had met de Beerse Maas, afkomstig van de overlaten in het Land van Cuijk, werd de Maas steeds meer als een probleem gezien. Pas na een grootschalige aanpak van deze rivier werd het in deze streek een stuk veiliger.

Brabant heeft ook met grotere en rampzaliger waterrampen te kampen gehad, onder andere de Elisabethsvloed van 1421 en de Februariramp van 1953. In beide gevallen waren de watermassa’s afkomstig van de Noordzee. Ook van deze natuurrampen zijn de gevolgen nog zichtbaar, vooral in West-Brabant, de Biesbosch en het Land van Heusden en Altena.







