“Landhorst verlost uit duisternis”. De kop in het Boxmeers Weekblad van december 1955 spreekt boekdelen. Al tien jaar zat Landhorst in het donker, tot grote ergernis van de inwoners. Hoofdonderwijzer A. Ras schreef samen met P. Coenen in 1954 nog een brief aan het Boxmeers Weekblad om aan die frustratie woorden te geven.

Ras vertelde hoe hij kort daarvoor in Nijmegen was geweest. Op dertig kilometer van de Peel baadde de stad in het licht. Die overdaad aan verlichting vond Ras ‘verkwisting van stroom’. Maar het contrast met hun eigen situatie zat de briefschrijvers nog veel meer dwars:
“Dertig kilometer van het grandioos verlichte Nijmegen, daar wonen mensen zonder electrisch licht, zonder verharde wegen, niets als duisternis en modderpoelen; ook wij wonen daar; wij gaan de winter in met een beklemd gevoel in ons hart. Een kleine veertig gezinnen in de Noordpeel die wat licht en wegen betreft precies hetzelfde leven als hun voorvaderen in de Middeleeuwen.”

Het was dan ook een groot feest, toen burgemeester Smulders in 1955 het knopje omdraaide, terwijl zijn echtgenote gelijktijdig de laatste petroleumlamp doofde. Het Boxmeers Weekblad was er lyrisch over: “Alle lampen in de dorpskom, zowel binnen als buiten de huizen brandden nu, het was precies alsof er een meteoor in de donkere Peel was gevallen en op de bodem zijn felle licht bleef uitzenden; alsof een lichtgevende zeemeermin aan de oppervlakte van de oceaan bij nacht verscheen.”
Het licht was opgegaan in Landhorst. Nu nog een verharde weg naar Wanroij.



