De naam van deze watermolen in Oostelbeers kennen we in verschillende varianten, zoals Munstermolen, Muustermolen of Muystermolen. Het eerste deel heeft waarschijnlijk te maken met het woord “munster” ofwel klooster, waarmee het verband gelegd wordt met de eerste eigenaar van de molen, de Abdij van Tongerlo.

Dat gaat terug tot aan het begin van de 14e eeuw. Het cijnsboek van de Brabantse hertogen vermeldde de molen al in 1340. De molendatabase van verdwenen molens geeft zelfs 1326 als eerste vermelding.
In 1559 werd het bisdom van ’s-Hertogenbosch opgericht en een deel van de goederen van de Abdij moest als inkomen gaan dienen voor de nieuwe bisschop. Ook de Mustermolen behoorde tot de bezittingen die overgingen van de abdij naar het bisdom.

Dat bleef zo tot 1648 toen alle onroerende goederen van geestelijke instellingen door de Republiek der Nederlanden werden onteigend. De Staten-Generaal werden formeel eigenaar en de Raad en Rentmeester-Generaal der geestelijke goederen voerde het beheer uit.
De opbrengsten uit de verpachting van de molen in de zeventiende en de eerste helft van de achttiende eeuw liepen gestaag terug. In 1757 werd de molen dan ook verkocht aan de toenmalige pachter, Jan Heuvelmans. Na in handen te zijn geweest van een aantal particuliere eigenaars werd de watermolen tenslotte in 1884 afgebroken.
Stroomopwaarts van de plek waar de molen stond, dus ten zuiden daarvan, vinden we nog steeds het Molenbroek. De Mustermolen was een typische wintermolen, dat wil zeggen dat hij alleen ’s winters draaide en dat de molenaar daarvoor in die periode het water van de Kleine Beerze flink mocht opstuwen, zodat het gebied ten zuiden van de molen erg drassig was.
De enige andere herinnering aan de watermolen van Oostelbeers is de straatnaam Watermolenweg.
Bekijk ook



