Terug naar overzichtOverzicht
Vliegkamp De Pettelaar

Vliegkamp De Pettelaar

Paul Huismans

16 juli 2015

Vliegvelden in Brabant

Heel even had Sint-Michielsgestel het enige militaire vliegveld in ons land. Dat kwam zo: in 1911 experimenteerde het Nederlandse leger voor het eerst met vliegtuigen bij de Grote Legermanoeuvres.

De manoeuvres begonnen op 16 september met divisie-oefeningen, die werden geleid vanuit Den Haag en Breda. In de nacht van 20 op 21 september trad de "oorlogstoestand" in, die tot en met 26 september duurde.

Hangars op het vliegkamp (foto: Pierre Weijnen. Bron: Beeldcollectie Stadsarchief 's-Hertogenbosch 0068346)
Hangars op het vliegkamp (foto: Pierre Weijnen. Bron: Beeldcollectie Stadsarchief 's-Hertogenbosch 0068346)

In en rond het Gelderse rivierengebied voerde het “blauwe leger”, dat vanuit Brabant optrok, strijd met het “rode leger” - pas later kreeg die term een andere betekenis – dat vanuit het noorden kwam.

Voor het eerst werden vliegtuigen ingezet, om te zien of ze bruikbaar voor het leger waren. Ook luchtballonnen en luchtschepen behoorden in die dagen nog tot de opties. Bewapend waren de vliegtuigen niet.

Op een weiland bij De Pettelaar – de Zuiderplas bestond nog niet – werd een vliegkamp ingericht. Tenten en een houten barak van de Rotterdamse Vliegvereniging dienden als hangar. Het gebied hoorde in 1911 nog bij Sint-Michielsgestel. Na een latere grenswijziging kwam het onder 's-Hertogenbosch te vallen.

Zes piloten namen deel aan de legeroefeningen. Ze voerden vooral verkenningstaken uit en rapporteerden aan de legerleiding. De bekendste onder hen is wel Marinus van Meel, op dat moment dienstplichtig sergeant. Hij had een paar maanden eerder zijn vliegbrevet behaald. Met zijn eigen toestel, een Farman die bekend stond als De Brik, nam hij deel aan de oefeningen. Zijn passagier-verkenner was luitenant F.A. van Heyst.

Overigens waren alle toestellen afkomstig uit privébezit; het leger kocht zijn eerste vliegtuigen in 1913. Luitenant Hein ter Poorten van het KNIL, reserve-luitenant J. Labouchère, dienstplichtig sergeant Henri Bakker uit Den Bosch en de burgers J. van Bussel en F. Lütge waren de overige “aviateurs”.

De Brouckère-tweedekker van lt. Ter Poorten wordt gereedgemaakt voor een vlucht (foto: Pierre Weijnen. Bron: Beeldcollectie Stadsarchief 's-Hertogenbosch 0068354)
De Brouckère-tweedekker van lt. Ter Poorten wordt gereedgemaakt voor een vlucht (foto: Pierre Weijnen. Bron: Beeldcollectie Stadsarchief 's-Hertogenbosch 0068354)

Verkennen en navigeren viel in die dagen nog niet mee. Op maandag 25 september voerden twee vliegtuigen verkenningen uit bij de Nederrijn, om te ontdekken of het rode leger een brug over de rivier had geslagen. Piloot Van Bussel maakte om 10 uur een noodlanding bij Culemborg: door de wind kon hij zijn kaart niet meer lezen. Geen nood: met een geleende fiets reed hij via Beusichem, Ravenswaaij en Rijswijk tot bij Maurik en weer terug. En voltooide zo zijn verkenning verder vanaf de grond. Tegen half vijf steeg hij weer op om via Geldermalsen en met nog een tussenlanding bij Zaltbommel weer naar De Pettelaar terug te vliegen. De vijand had hem niet opgemerkt!

De pachter van het weiland waar Van Bussel was geland deed die dag goede zaken: de Blériot trok veel bekijks en hij vroeg 5 cent voor het betreden van zijn weiland. Minder gelukkig was een artillerist: hij was zo gefascineerd door het overvliegen van een vliegtuig dat hij even niet oplette en te dicht bij een vuurmond stond. Dat kostte hem één of mogelijk zelfs beide ogen.

Minister van Oorlog Colijn (met stok) met een aantal officieren en burgers bij een Blériot in een hangartent (foto: Pierre Weijnen. Bron: Beeldcollectie Stadsarchief 's-Hertogenbosch 0068350)
Minister van Oorlog Colijn (met stok) met een aantal officieren en burgers bij een Blériot in een hangartent (foto: Pierre Weijnen. Bron: Beeldcollectie Stadsarchief 's-Hertogenbosch 0068350)

Na de legeroefening trok men de conclusies. Over het vliegveld was men niet tevreden. Het was te klein en ook de organisatie ervan liet te wensen over. De vliegtuigen hadden een beperkte inzetbaarheid, omdat alleen rond zonsopgang en zonsondergang de atmosfeer voldoende stabiel was. Navigatie vormde een probleem, vooral als er geen plaats was voor een passagier-verkenner. Ook de geringe vlieghoogte was een nadeel.

Wel overtrof de inzetbaarheid die van de ballon.

Tijdelijk vliegkamp De Pettelaar bij 's-Hertogenbosch, tijdens de herfstmanoeuvres van 20-26 september 1911. Een Blériot voor een vliegtuigtent (bron: Beeldcollectie Nederlands Instituut voor Militaire Historie, nr. 2157_013324)
Tijdelijk vliegkamp De Pettelaar bij 's-Hertogenbosch, tijdens de herfstmanoeuvres van 20-26 september 1911. Een Blériot voor een vliegtuigtent (bron: Beeldcollectie Nederlands Instituut voor Militaire Historie, nr. 2157_013324)

Hoewel de ervaring dus niet onverdeeld positief was, kwam twee jaar later de Luchtvaartafdeling van de Landmacht tot stand, de voorganger van de Koninklijke Luchtmacht.

En welk leger had er nu gewonnen? Die strijd bleef onbeslist.

Lees ook

Heeft de inzet van vliegtuigen zin?

De geschiedenis van de luchtvaart in Nederland begint in Noord-Brabant: in 1909 steeg in deze provincie voor het eerst een vliegtuig op (in Etten) en een jaar later, in 1910, werd het eerste vliegveld in ons land geopend bij Gilze-Rijen. En de eerste Nederlander die een privé-vliegtuig aanschafte, was de toenmalige burgemeester van Aarle-Rixtel, A. Albers Pistorius. Dat was in 1919. Hij maakte gebruik van het vliegveld Molenheide. Want al voor, maar vooral ook tijdens de Tweede Wereldoorlog groeide het aantal vliegvelden. Tijdens de Tweede Wereldoorlog kregen alle vliegvelden een militaire bestemming en voorzover ze daarna bleven bestaan, hielden ze die meestal ook. Voor de sportvliegerij en de burgerluchtvaart kwamen er later nieuwe vliegvelden bij. De uitzondering is Eindhoven: daar delen militaire en burgerluchtvaart nog steeds de start- en landingsbaan. Lees meerOntdek het thema

Reacties

Reacties laden…