Het was nog maar nauwelijks licht, die 11e juni 1944, toen rond half vijf in de ochtend zeven of acht mannen, gewapend met pistolen, het Cuijkse raadhuis binnendrongen. Het was een zorgvuldig geplande operatie.

De overvallers, van wie er één gekleed was in politie-uniform, betraden eerst de oude botermijn en overrompelden daar de luchtwacht, bestaande uit drie personen. De overvallers maakten meteen de telefoon en de alarmering onklaar, zodat niemand meer gewaarschuwd kon worden.
Vervolgens wachtten de overvallers het wisselen van de wacht af om zich toegang te verschaffen tot de benedenverdieping van het gemeentehuis. De wachters werden gedwongen het wachtwoord te zeggen waarmee ze de deur van de benedenverdieping open zouden kunnen krijgen.
Eenmaal binnen werden de drie luchtwachters en de drie bewakers van het bevolkingsregister opgesloten in een leegstaande gevangenencel. Daarna werd de kluis geforceerd. De overvallers, onder wie wachtmeester De Leeuw van de Marechaussee in Cuijk, maakten een radiotoestel en een grote voorraad distributiemateriaal, waaronder bonkaarten voor onderduikers buit.
Voordat ze zich uit de voeten maakten, lieten ze de zes opgesloten bewakers weer vrij. Die waren blijkbaar zo vaderlandslievend, dat ze pas alarm sloegen toen de overvalgroep van verzetslieden al weer een veilig heenkomen had gevonden. Menig onderduiker kon weer aan eten geholpen worden. Overigens moest ook wachtmeester De Leeuw niet lang na de overval onderduiken (in Op Den Drul in Linden), omdat de Duitsers hem verdachten en naar hem op zoek gingen.
