Terug naar overzichtOverzicht
J.C. de Lannoy door Niels Rode (Collectie Noordbrabants Museum)

Juliana Cornelia De Lannoy (1738-1782)

Rien Wols

19 juli 2013

Opmerkelijke vrouwen

Hebben wij vrouwen van nature niet net zo veel “eedle denkenskracht” meegekregen als het mannelijk geslacht? Het vanzelfsprekend positieve antwoord op die vraag was de rode draad door het leven en werken van Juliana Cornelia De Lannoy.

J.C. de Lannoy door Niels Rode (Collectie Noordbrabants Museum)

Als succesvol dichteres behoorde zij tot een kleine groep achttiende-eeuwse schrijfsters, zoals Betje Wolff en Belle van Zuylen, die de hun opgedrongen maatschappelijke rol van moederlijke verzorgster met verve ter discussie stelden.

Bloemschildering op zijde door J.C. de Lannoy. Collectie Het Noordbrabants Museum

Juliana Cornelia de Lannoy werd op 20 december 1738 geboren in Breda als dochter van Maria Aletta Schull en Carel Wybrandus de Lannoy, officier in het Staatse leger. Als beroepsmilitair verhuisde De Lannoy met zijn gezin vaak. In 1750 overleed de moeder van Juliana. Haar vader hertrouwde twee jaar later. In 1758 werd De Lannoy tot grootmajoor benoemd in de garnizoensplaats Geertruidenberg. Vanaf 1776 bewoonden ze daar huis De Roos (Markt 46, tegenwoordig een museum). Juliana zou er tot haar dood blijven wonen. Op haar vijfentwintigste koos zij voor het schrijversbestaan met de ambitie om daarin ook daadwerkelijk het hoogste te bereiken. Dat was opmerkelijk in een tijd waarin vrouwen geacht werden hun levensvervulling te vinden in de verzorging van echtgenoot en kinderen. Liefhebberen in de dicht- of schilderkunst was voor vrouwen van haar stand geen probleem, als het maar met gepaste bescheidenheid gebeurde. Maar er serieus mee bezig zijn...In haar eerste officiële publicatie, het lange gedicht Aan myn Geest uit 1766, zij is dan 28, maakt zij duidelijk in welke tweestrijd zij verkeert: twee personages bediscussiëren de tegenstelling tussen de maatschappelijke verplichtingen van een vrouw van stand (de “ik” in het gedicht) en de wens om het onconventionele leven van een volledig aan de literatuur toegewijde dichters te leiden (“mijn geest”). Het gedicht is een pleidooi voor de intellectuele en geestelijke vrijheid van vrouwen. De Lannoy brengt haar literaire ambities ook in praktijk. Zij publiceerde drie treurspelen (het hoogst in aanzien staande genre) die alle zijn opgevoerd: Leo de Groote (1767), De belegering van Haerlem (1770) en Cleopatra, Koningin van Syrien (1776). Met name de eerste twee bezorgden haar lof, bekendheid en erkenning: het fameuze Haagse dichtgenootschap Kunstliefde spaart geen vlyt nodigde haar in april 1772 als eerste vrouw in de Republiek uit honorair lid te worden. Ook haar vaderlandslievende “lierzangen” wonnen prijzen: in 1774 en 1782 ontving zij daarvoor de zilveren erepenning van Kunstliefde spaart geen vlyt, en in 1774 ontving zij de gouden en in 1777 de zilveren erepenning van het Leidse dichtgenootschap Kunst wordt door arbeid verkreegen. Als vrouw nam zij ook met deze bekroningen een unieke plaats in de 18e-eeuwse letteren in. Haar gedichten zijn verzameld in twee bundels: Dichtkundige Werken (1780) en Nagelaten Dichtwerken (1783). Hoezeer ook gewaardeerd in haar eigen tijd, vanaf het midden van de negentiende eeuw gaan de literatuurhistorici De Lannoy steeds meer tot de “minor poets” van de achttiende eeuw rekenen. Hoezeer die mening aan herziening toe is, blijkt wel uit de dissertatie van W.R.D. van Oostrum, Juliana Cornelia de Lannoy (1738-1782) : ambitieus, vrijmoedig en gevat. (Hilversum, 1999) en de online biografieën door W.R.D. van Oostrum op Thuis in Brabant en door Bea van Boxel in het Digitaal Vrouwenlexicon van Nederland. Of lees haar "portret" in het schrijverskabinet. En als je nog meer over deze boeiende vrouw wilt weten, gaan dan naar de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse letteren.

Onder deze titel willen we een aantal bijzondere Brabantse vrouwen uit heden en verleden onder de aandacht brengen. In eerste instantie zijn het nu 27 vooral erg historische vrouwen, over wie een verhaal is opgenomen: negen uit de eeuwen voor 1800, twaalf uit de 19e eeuw en zes uit de 20e eeuw, maar dan voornamelijk uit de eerste helft. Het gaat vaak om zelfstandige types die gewoon deden wat ze nodig en/of leuk vonden, ook al gingen ze daarmee tegen de heersende mores in. Zelden speelde daarbij een duidelijk uitgesproken streven naar emancipatie een rol (al gebeurde dat ook). Maar er zijn ook wel degelijk “echte” feministes onder deze vrouwen te vinden. In ieder geval kunnen de meesten van deze vrouwen als rolmodel worden gezien voor de generaties na hen. De selectie die hier aangeboden wordt, is slechts het topje van de ijsberg. We zullen de komende tijd vooral aandacht gaan besteden aan onze eigen tijd. Denk maar aan sportvrouwen als Daphny van den Brand (wielrenster); Anky van Grunsven (dressuurrijdster); Merel de Knegt (hardloopster); Leontien van Moorsel (wielrenster); Miriam Oremans (tennister); Angelique Seriese (judoka); Elsbeth Vink (mountainbikester); Marianne Vos (wielrenster) en Ireen Wüst (schaatster); aan zangeressen als Corry Brokken; Jacqueline Govaert; José Hoebee; Nikki Kerkhof; Corry Konings en Lenny Kuhr; aan actrices als Josine van Dalsum; Sylvie Meis; Liz Snoijink en Monique van de Ven; aan politica’s als Carola Schouten en Mei Li Vos; aan mode-ontwerpsters als Marlies Dekkers en Olcay Gulsen of aan presentatrices als Yvon Jaspers en Lucille Werner. En er zijn vast nog veel meer vrouwen die een plaatsje op deze kaart van Brabant verdienen. We roepen iedereen dan ook op om suggesties te doen over andere “heldinnen” of een levensbeschrijving van hun heldin in te sturen.Ontdek het thema

Reacties

Reacties laden…