Aan het eind van de 19e en het begin van de 20e eeuw werd er in Sint Hubert ijzererts gewonnen. Dat was namelijk in de streek in grote hoeveelheden voorhanden.

Al in 1888 waren er plannen om een stoomtram te laten lopen richting de Princepeel, een van de plaatsen waar het ijzererts vandaan kwam. Wat er uiteindelijk gerealiseerd werd was een paardentram, die het ijzererts en de overtollige, zogenaamde roodaarde uit de Peel naar het station in Mill vervoerde.
Van daaruit werd het verder getransporteerd naar de Duitse hoogovens. Verder waren gasfabrieken in Frankrijk vaste afnemers van het erts, dat bij de fabricage van gas als grondstof diende. Bij dat procedé kon de reststof vervolgens tot Pruisisch blauw worden verwerkt.

Jarenlang was het afgraven van gronden een lucratieve bezigheid, die voor werkgelegenheid zorgde. Maar rond de Eerste Wereldoorlog raakte de belangstelling voor het Peelse ijzererts over zijn hoogtepunt heen.

Nog in 1914 vroeg de Eerste Nederlandse IJzererts-Maatschappij om de al bewerkte gronden opnieuw te mogen exploiteren, naast andere, nieuwe gronden. Maar vrij snel daarna werd het stil rond de ijzerwinning in Sint Hubert. Nieuwe technieken hadden geleid naar andere en betere vindplaatsen dan Mill en omgeving.





