Begin twintigste eeuw kende Nederland zeer strenge winters. IJsgang in rivieren en zeegaten vormde een groot probleem voor de vele veerverbindingen die het land toen telde. Ook de pont bij het Keizersveer had hier geregeld mee te maken.

Daarvan getuigt dit berichtje uit de Nieuwe Gorinchemsche Courant van 20 januari 1901.
En een paar jaar later schrijft een andere krant: “Zeer moeilijk is heden de overtocht; met de stoompont wordt het publiek een eind weegs de rivier opgebracht, waar het over moet klimmen in een achter de pont hangende ijsschouw. Men roeit en ijshaakt zoover mogelijk naar den oever, waar de passagiers door de schippers in en uit de schouw gedragen worden”.


Gelukkig voor de veerman hielden zijn verdiensten niet helemaal op bij strenge vorst. Als de rivier eenmaal geheel was dichtgevroren en de pont dus noodgedwongen werkeloos aan de oever lag, moest de veerbaas een pad uitzetten over het ijs met takken en zand of planken en mocht hij van elke passant betaling vragen.
