Tot 1 januari 1969 was Heeswijk een zelfstandige gemeente in het noordoosten van Noord-Brabant, gelegen aan het riviertje de Aa en de Zuid-Willemsvaart, tussen Berlicum, Schijndel en Dinther. Het gebied besloeg een oppervlakte van 1.528 ha en telde één kerkdorp: Heeswijk. In 1969 fuseerde Heeswijk met Dinther tot de nieuwe gemeente Heeswijk-Dinther en in 1994 ging deze gemeente op in de huidge gemeente Bernheze.


De naam
De naam Heeswijk gaat terug op het Oudhoogduitse "haisjo", dat "kreupelhout" betekent. Het element "wijk" hangt samen met het Latijnse vicus dat buurtschap, dorp, landgoed betekent. Heeswijk is ontstaan in het dal van het riviertje de Aa, dat lange tijd bevaarbaar is geweest tot Veghel.
Oudste vermelding
In 1196 schonk Albert, heer van Dinther, die één der eerste bewoners van het kasteel van Heeswijk moet zijn geweest, al zijn bezittingen aan de Norbertijnen in Berne, nabij Heusden. Deze bezittingen lagen in de buurt van het hof Bernehese bij Dinther en van een moerassig gebied dat Loesbruch werd genoemd. Aldus werd Bernehese een uithof van de Norbertijnen, die sindsdien met Heeswijk en Dinther verbonden zijn gebleven. Als gevolg van de Staatse verovering van de Meierij vond abt Jan Moors in 1629 onderdak in het Slotje te Heeswijk en sinds 1857 was daar de nieuwe abdij van Berne gevestigd.

Ook Kasteel Heeswijk en zijn bewoners speelden een belangrijke rol in de geschiedenis van Heeswijk. Er waren Van Dinthers, Van Berlaers en Van Bentheims, en ook Van der Hoevens en Speelmansen, maar Andreas Johannes Ludovicus Baron van den Bogaerde van Terbrugge stak hen allemaal naar de kroon. Hij was in 1830 gouverneur van Noord-Brabant geworden en bevorderde onder andere de aanleg van de straatweg Rosmalen-Veghel, die Heeswijk en Dinther ontsloot. Deze eerste provinciale weg heet onder Heeswijk en Dinther dan ook nog steeds Gouverneursweg. Hierlangs groeiden beide dorpen geleidelijk aan elkaar. De ingebruikname van een nieuwe gemeentehuis ongeveer halverwege vormde in 1982 de afronding van dit proces.

Gemeentewapen
Op 16 juli 1817 stelde de Hoge Raad van Adel het wapen vast van de gemeente Heeswijk. De omschrijving luidde: "In azuur een leeuw van goud, gehalsband van hetzelfde." De gehalsbande leeuw is afkomstig uit het familiewapen van de familie Van der Leck, ooit heren van Heeswijk. In 1817 zijn de kleuren van het rijkswapen (blauw en goud) toegekend, omdat de burgemeester bij de aanvraag voor een gemeentewapen geen kleuraanduiding had gegeven. Dat is overigens bij heel veel gemeenten gebeurd.
Bevolkingsontwikkeling

Aan het begin van de negentiende eeuw, in 1813 telde Heeswijk ruim 700 inwoners. In 1850 waren dat er 997 en in 1900 1.158. Die heel geleidelijke groei van de gemeente kreeg een soort versnelling na de tweede wereldoorlog: in 1950 was de bevolking bijna verdubbeld tot 2.065. Bijna twintig jaar later, in 1969, het jaar van het samengaan met Dinther in de nieuwe gemeente Heeswijk-Dinther, woonden er officieel 2.708 mensen in Heeswijk. In 2000 waren dat er 3.053.
Een Heeswijkse ‘zoon’ die een tijdlang landelijke bekendheid genoot is natuurlijk Theo Lucius, de nuchtere doorzetter op het middenveld bij onder meer PSV, Feyenoord, Groningen en Den Bosch.
Gebouwen
Naast het al genoemde Kasteel van Heeswijk is de Abdij van Berne altijd belangrijk geweest voor Heeswijk.
De kerk is toegewijd aan de Heilige Willibrordus.
