In de periode 1830 -1839 waren politieke ontwikkelingen de aanleiding om een militaire inundatie rondom de stad ’s-Hertogenbosch te stellen. De Zuidelijke Nederlanden wensten niet langer deel uit te maken van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden en kwamen in opstand.
Op 25 augustus 1830 braken de eerste onrusten uit in Brussel en op 4 oktober daaropvolgend riep een Voorlopig Bewind de onafhankelijkheid uit van België. Tijdens de Conferentie van Londen erkenden de Europese mogendheden, Engeland, Frankrijk, Pruisen, Oostenrijk en Rusland in 1830 deze onafhankelijkheid. Koning Willem I legde zich echter niet bij dit besluit neer en mobiliseerde het Nederlandse leger tot 1839.[1]
Zuiderfrontier
In Noord-Brabant bracht men de Zuiderfrontier in staat van verdediging, een verdedigingslinie, in 1701 aangelegd naar ontwerp van Menno van Coehoorn. De linie liep van Bergen op Zoom via ’s-Hertogenbosch tot Grave. Voor ’s-Hertogenbosch betekende de Belgische Opstand dat de stad in 1830 in staat van verdediging moest worden gebracht door het stellen van de ‘kleine’ inundatie.[2] Hiertoe liet men achtereenvolgens drie inundatiekommen rondom de stad vol lopen met water. De inundatie zou maar liefst negen jaar duren.
Tegengestelde belangen
Deze jarenlange inundatie leidde tot onenigheid tussen enerzijds het stadsbestuur en de polderbesturen en anderzijds provinciaal en landelijk bestuur en de legerleiding. De landbouwgronden waren onbruikbaar, de handel stagneerde en de stad was moeilijk bereikbaar.
In 1833 ontstond er een conflict over het herstel van een doorbraak in de rechter Diezedijk, veroorzaakt door de inundatie. Het stadsbestuur stelde dat de inundatie het belang van alle inwoners van het land diende. Hieruit voortvloeiende herstelkosten hoorden dan ook voor rekening van de staatskas te komen. Gedeputeerde Staten en het Rijk dachten hier anders over en wilde de rekening bij de stads- en polderbesturen leggen.
Een ander conflict betrof het wel of niet leggen van een dam bij fort Crevecoeur. Hiermee kon het leger de waterstand regelen maar het gevolg was dat meer dan 6.000 hectare landbouwgrond onbruikbaar werd met grote armoede voor de inwoners van de aangrenzende dorpen tot gevolg.[3] Overleggen van het stadsbestuur met de Prins van Oranje en verzoeken aan koning Willem I mochten niet baten.
Ondanks de standvastigheid van het stadsbestuur woog het landsbelang zwaarder dan het lokale. De inundatie bleef in stand tot 13 juni 1839. Toen kondigde de opperbevelhebber van de vesting het einde van de staat van beleg af. Dit gebeurde na de ondertekening van de contracten op 8 juni die de scheiding tussen Nederland en België vastlegde. Hierover bereikten de landsbestuurders op 19 april overeenstemming.[4]

Noten
[1] Op 20 december 1830 riep het Conferentie van Londen de onafhankelijkheid van België uit, op 20 januari 1831 stelde de Conferentie de voorwaarden hiervoor vast alsmede de grenzen van België en Nederland. E.H. Kossmann, De Lage Landen Twee eeuwen Nederland en België Deel 1, (achtste druk z.p., 2006) 138 – 139.
[2] Daarnaast kende men de ‘grote’ inundatie, die het gehele gebied van de Zuiderfrontier omvatte.
[3] Notulen gemeenteraad 11 maart 1833, Afdeling.Erfgoed (A.E.), 002 Nieuw Stadsarchief (NSA), inv.nr. 11, f. 16r en l.
[4] Notulen 14 juni 1839, A.E., 002 NSA, inv. nr. 13, f. 50r - 51l.

