Ieder jaar op de eerste zondag na 21 september was in Beers het grote volksfeest, de kermis. In die tijd was het economisch nog niet verantwoord om vakantie te nemen. De enige vakantie waren de kermisdagen.
Daar gingen dan ook een aantal voorbereidingen aan vooraf. In de week vóór de kermis werd alles in en rondom het huis onder handen genomen. Alles werd geschrobd en vrijgemaakt van onkruid. De voegen tussen de steentjes werden uitgekrabd en het grint netjes opgeharkt. Voor vele gezinnen was de kermis ook een mooie gelegenheid voor een familiereünie. Alles werd daarop afgestemd, vooral in de keuken was het hoogtijdag. Om maar eens iets te noemen, de soeppan stond de hele dag op het fornuis te trekken, want heerlijke bouillonsoep met daarna soepvlees met augurkjes was een eerste vereiste. Van de pudding werd ook heel veel werk gemaakt, die kwam dan in een mooie vorm, bijvoorbeeld van een vis of tulband, op tafel. En natuurlijk werd er ook samen een gezellig borreltje gedronken.

Voor ’s avonds waren er krentenbollen en krentenbrood en bij wijze van uitzondering werd dat laatste belegd met metworst of kaas; kortom alles was anders dan gewoon, dat was een bijzondere beleving van de kermisdagen.
De kermis begon pas op zondag na de hoogmis van tien uur. Tijdens de preek had de pastoor er nog eens op gewezen, dat iedereen zich behoorlijk diende te gedragen. Ook het dansen moest ’s avonds om zeven uur afgelopen zijn en de vrouwen moesten op tijd naar huis toe gaan.
Direct na de hoogmis liepen de cafés vol om samen gezellig een glaasje te drinken; iedereen ging dan naar zijn eigen stamcafé. Vooraleer men naar huis ging, werd er eerst een rondgang gemaakt over de kermis om te zien wat er zo allemaal te doen was. Het eerste geld werd uitgegeven aan de schiettent en het touwtje trekken in de hoop dat je al een leuk prijsje mee naar huis kon nemen. Er waren er ook die hun geluk probeerden op ‘de kop van Jut’. Hubert Hendriks was daar een echte liefhebber van. Met een enorme zwaai met de slechthamer gaf hij een klap op de kop van het slaghout, zodat de patroon als een pijl omhoog schoot en bovenin de mast met een enorme knal uiteen spatte. Voor zijn prestatie werd hem een enorme metalen roos op de revers gespeld. Dat moedigde hem aan om het nog maar eens een keertje te proberen. Met nog meer kracht probeerde hij het record te breken, maar het liep anders af. Hij miste de slagpen en sloeg met een enorme klap op de kist van de attractie, met het gevolg dat de hele kist uiteen spatte en het apparaat volledig in het ongerede raakte. Onder grote hilariteit van de omstanders probeerde Hubert het met de spullenbaas op een akkoordje te gooien, wat hem na enig heen en weer gepraat dan ook lukte.
Als jeugd scharrelden we intussen tussen de kraampjes, die stonden opgesteld vanaf het terrein van Piet Vergeest tot aan het café van Jan Nuijen. Op het terrein van Vergeest stonden ook de mallemolen en de schommel van Pietje Bummel (bijnaam) uit Uden. Meerdere kramen werden ook geëxploiteerd door kermismensen uit Uden. Bekende kramen waren er ieder jaar van Oppers uit Gassel en van Van Uden uit Cuijk.

Toen er nog geen elektriciteit was, werd de mallemolen in beweging gebracht en gehouden door een paardje, dat de hele dag de rondjes draaide. Hij had gezelschap van de orgelman, die de vrolijke muziek over het dorp verspreidde en ’s avonds wel even moe zal zijn geweest als het paardje.


Verder stonden bij een drietal cafés danstenten, die altijd veel aftrek vonden bij de liefhebbers, maar iedereen waagde zich wel aan een dansje op de kermis. Bij iedere dans werd halverwege gestopt (halve dans) om de deelnemers te laten betalen en dan ging men weer verder tot de muziek stilhield.
Het was altijd gezellig om op de kermis te zijn, maar helaas waren de drie dagen snel weer om. Als de kermis werd opgebroken, hadden we altijd een weemoedig gevoel en bovendien moesten we dan ook weer naar school. Het laatste wat we na afloop deden, was rondkijken op het kermisterrein of we nog een paar centen konden vinden, en dat was meestal wel het geval.
Uit: H.S. Ebben, De eerste vijfentwintig jaar van mijn leven in Beers aan de Maas (2010)


