Terug naar overzichtOverzicht
De eerste automobilisten van Roosendaal

De eerste automobilisten van Roosendaal

René Bastiaanse

5 maart 2016

Automobilisten voor 1906

In 1904 telt Roosendaal al zo’n 15.000 inwoners, slecht twee daarvan waren in het bezit van een auto met een rijkskenteken: Johannes Verheijen en de Belgische diamantslijper Felix de Winter.

Johannes Verheijen (1883-1938)

Vivinus, Foto: Gemeentearchief Roosendaal

Jan Verheijen was een telg uit een vooraanstaande familie, zijn vader was o.a. lid van Provinciale Staten. In 1903 is hij kandidaat-notaris , maar hij noemt dan zich ook ‘industrieel’. Van winstgevende activiteiten in die richting is echter nooit iets gebleken. We mogen dus aannemen dat de auto die hij in december 1904 krijgt niet uit eigen zak is betaald, maar werd gefinancierd uit het familiekapitaal. Misschien een cadeautje voor zijn 21ste verjaardag?

Vivinus. Foto: Gemeentearchief Roosendaal

Volgens de registratie van rijkskentekens werd het een auto van het Belgische merk Vivinus met het kenteken 1539. Afgaand op de foto's ging het om de luxe Limousine uitvoering, tamelijk groot voor een vrijgezel en ook vrij prijzig: een nieuwe kostte al snel 6.000 gulden.

Op de eerste foto staat Jan Verheijen achteloos tegen zijn voiture geleund de krant te lezen, terwijl de monteur aan de motor sleutelt onder toeziend oog van de garagehouder Emile Lemmens. Diezelfde Lemmens zien we even later een proefritje maken.

Vanaf 1906 draagt de auto het provinciale kenteken N-16. Kort nadien verkoopt Verheijen de auto aan de Roosendaalse suikerfabrikant De Caritat de Péruzzis, de auto krijgt dan kenteken N-615.

 Felix de Winter (Antwerpen 1860-....)

Vivinus. Foto: Collectie Conam

Bij de getoonde foto’s uit het gemeentearchief van Roosendaal wordt de Vivinus beschreven als ‘de eerste auto in Roosendaal’. Dat is niet helemaal correct. Vier maanden eerder dan Verheijen, namelijk in augustus 1904, had ene F. de Winter uit Roosendaal voor zijn auto het rijkskenteken 1435 gekregen.

Het betreft hier waarschijnlijk de Belgische diamantslijper Felix de Winter (Antwerpen 1860-....) die zich in december 1903 vestigde aan de Markt in Roosendaal. In januari 1906 gaat hij met zijn gezin alweer terug naar Antwerpen. Het is onbekend in welke auto hij reed.

Op 20 december 1895 maakte Nederland voor het eerst kennis met een automobiel: het was het rijtuig van de Tilburgse wolfabrikant Jos Bogaers. Mondjesmaat kwamen er meer gemotoriseerde voertuigen en overal waar ze verschenen, baarden ze veel opzien: paarden sloegen op hol, de melk van de koeien werd zuur en zwangere vrouwen vreesden voor het leven van hun ongeboren kind. Die reacties waren te vergelijken met wat er gebeurde bij de introductie van de stoomlocomotief. Angst voor het nieuwe. Om nu “te voorkomen dat het gewone verkeer door het gebruik van motorrijtuigen gevaar of overlast ondervindt” vaardigde de Minister van Waterstaat in 1898 een reglement uit. Automobilisten die zich begeven op de rijkswegen moeten in het bezit zijn van een vergunning, waaruit blijkt dat hun voertuig is voorzien van een rem, een helder licht gevende lantaarn en een duidelijk hoorbare bel of hoorn. De bestuurder dient zich te houden aan een maximum snelheid van 20 km per uur op rechte stukken, in bochten en langs huizen moet de vaart verminderd worden tot 8 km per uur. Bij overtreding kan de vergunning worden ingetrokken. Lees meerOntdek het thema

Reacties

Reacties laden…

De eerste automobilisten van Roosendaal