Terug naar overzichtOverzicht
De eerste automobilisten van Oss

De eerste automobilisten van Oss

René Bastiaanse

20 april 2016

Automobilisten voor 1906

Voordat in 1906 de provinciale nummerborden worden ingevoerd, staan er in Oss zes auto’s geregistreerd met een rijkskenteken, zoals te verwachten viel allemaal op naam van fabrikanten. Opvallend is wel dat het vooral de jongere generatie is die automobielen aanschaft, de ouderen kijken kennelijk eerst de kat uit de boom.

De familie Jurgens van de in 1902 opgerichte Anton Jurgens' Margarinefabrieken N.V. had in dit Osse wagenpark met vijf auto’s het grootste aandeel, de andere auto stond op naam van een telg uit het geslacht Hartog van de gelijknamige vleesfabrieken.

Kenteken 255 werd op 11 augustus 1903 uitgegeven op naam van de dan 26-jarige Arnold Hartog, zoon van de grondlegger van de Hartog vleesfabrieken in Oss. Hij koopt een auto bij de Nijmeegse importeur Aertnijs, het merk is helaas is niet bekend. Arnold verhuist in 1906 naar Nijmegen, we vinden hem dan ook niet meer terug in het register van de Brabantse kentekens.

Een 12 pk Darracq uit 1903. Foto: Collectie Conam

Gerard (30 jaar) en Emile Jurgens (25 jaar), zonen van één van de directeuren van de 1902 opgerichte Anton Jurgens' Margarinefabrieken N.V., kochten in 1903 samen twee auto’s. Het waren identieke Darracqs: 12 PK, 3,35 lang en maar liefst 650 kg zwaar. Grote auto’s dus, met een flink vermogen. Zij kregen de kentekens 1046 en 1170.

In 1904 kocht Gerard er een soortgelijke Darracq bij, kenteken 495. Een paar maanden later   verkoopt hij die weer.

Als in 1906 de provinciale kentekens worden ingevoerd, heeft Gerard nog maar één auto op zijn naam staan, kenteken N-68. Zijn broer Emile heeft inmiddels Brabant verlaten, waarschijnlijk heeft hij zijn auto meegenomen.

De 14 pk Renault van Frans Jurgens, hier met chauffeur. Foto: Collectie Conam.

Frans Jurgens (1861-1941) is een andere telg uit het Jurgens geslacht en ook hij koopt in 1903 een 12 pk Darracq, kenteken 1047. Kennelijk is die auto voor hem niet zwaar genoeg, want in 1904 schaft hij een 14 pk Renault aan, nummerbord 27.

Frans is een echte liefhebber: hij is lid van de Nederlandsche Automobiel Club (voorloper van de KNAC) en laat in 1906 maar liefst drie auto’s provinciaal registreren: N-98, N-99 en N-100.

Op 20 december 1895 maakte Nederland voor het eerst kennis met een automobiel: het was het rijtuig van de Tilburgse wolfabrikant Jos Bogaers. Mondjesmaat kwamen er meer gemotoriseerde voertuigen en overal waar ze verschenen, baarden ze veel opzien: paarden sloegen op hol, de melk van de koeien werd zuur en zwangere vrouwen vreesden voor het leven van hun ongeboren kind. Die reacties waren te vergelijken met wat er gebeurde bij de introductie van de stoomlocomotief. Angst voor het nieuwe. Om nu “te voorkomen dat het gewone verkeer door het gebruik van motorrijtuigen gevaar of overlast ondervindt” vaardigde de Minister van Waterstaat in 1898 een reglement uit. Automobilisten die zich begeven op de rijkswegen moeten in het bezit zijn van een vergunning, waaruit blijkt dat hun voertuig is voorzien van een rem, een helder licht gevende lantaarn en een duidelijk hoorbare bel of hoorn. De bestuurder dient zich te houden aan een maximum snelheid van 20 km per uur op rechte stukken, in bochten en langs huizen moet de vaart verminderd worden tot 8 km per uur. Bij overtreding kan de vergunning worden ingetrokken. Lees meerOntdek het thema

Reacties

Reacties laden…