Terug naar overzichtOverzicht
De eerste automobilisten van Oosterhout

De eerste automobilisten van Oosterhout

René Bastiaanse

10 januari 2016

Automobilisten voor 1906

Rond 1900 werd het sociale en politieke leven in Oosterhout volledig bepaald door drie ondernemersfamilies: Fick (sigaren, groothandel in koloniale waren, bankwezen), Simons (suiker en bier) en Verschure (margarine).

De familie Fick had geen auto’s met een rijkskenteken. Toen in 1906 de provinciale kentekens werden ingevoerd, was zij echter een van de eerste met een Brabants nummerbord: N-3.

Mr. Anton J.M. Smits (1862-1928)

De fabriek, die in 1981 nog werd gebruikt als decor voor de succesvolle tv-serie De Fabriek

Hij was de eerste inwoner van Oosterhout die met een auto rondreed voorzien van een rijkskenteken. Anton Smits was advocaat en procureur, maar ook directeur-eigenaar van suikerfabrieken in Roosendaal en Oosterhout.

Omdat de slechte vaarwegen in die plaatsen de toevoer van suikerfabrieken bemoeilijkten, zocht Smits naar een betere locatie. In 1902 verplaatste hij zijn werkzaamheden naar Oud-Beijerland en werd hij mede-directeur en grootaandeelhouder van de NV Zuidhollandsche Beetwortelsuikerfabriek. 

Anton Smuits achter het stuur van zijn FN. Foto: Collectie Conam

Anton kocht in 1904 van notaris Jan Wijnans uit Gulpen een F.N. Tonneau uit 1899. Hij nam ook diens rijkskenteken over: 817. Als in 1906 de provinciale kentekens worden ingevoerd, krijgt Anton Smits nummer N-793.

J.C.J. (Jos) Verschure (1865-1933)

FN Tonneau. Foto: André Ritzinger, Wikipedia

Deze margarinefabrikantwas de tweede inwoner van Oosterhout die een auto had met een rijkskenteken: in 1905 kreeg hij nummer 1678 toegewezen voor een voertuig van onbekend merk of type. Een jaar later wordt dat nummerbord ingewisseld voor een provinciaal kenteken: N-181.

De boterfabriek van de familie Verschure was – na die van Jurgens en Van den Bergh – de grootste van Nederland, met vestigingen in Oosterhout, Antwerpen, Rotterdam en Londen. De persoonlijke verhoudingen met de concurrentie waren hartelijk: maar liefst drie leden van de familie Verschure trouwden met telgen uit de familie Jurgens. De fabriek zou uiteindelijk ook onderdeel gaan vormen van het Jurgens-concern.

De familie Verschure had sowieso een goed oog voor profijtelijke huwelijken: zowel Jos als zijn oudere broer Willem (1862-1925) trouwden – en dan ook nog eens op dezelfde dag - met meisjes uit de steenrijke Tilburgse fabrikantenfamilie Van Spaendonck. Het geeft aan hoezeer de nieuwe elite van Brabantse fabrikanten onderling verweven was; accumulatie van kapitaal zou Marx dat noemen.

Villa Mathilda, Oosterhout

De rijkdom van Jos Verschure wordt aardig geïllustreerd door het woonhuis dat hij in Oosterhout liet bouwen en vernoemde naar zijn vrouw Mathilda van Spaendonck: Villa Mathilda.

Jos Verschure was overigens een zeer moderne ondernemer. Hij was de eerste fabrikant in Oosterhout die een ziekenfonds voor zijn werknemers creëerde, hij was ook de eerste die een telefoonaansluiting had. Daartoe moesten vanaf Breda telefoonpalen langs de weg worden geplaatst. In 1899 neemt hij zelfs een proef met een vrachtwagen, een dergelijk voertuig was toen nog uiterst zeldzaam.

De vrachtwagen moest de paardenkarren vervangen waarmee bij de boeren de melkbussen werden opgehaald voor de boterfabriek. Het is onbekend of het experiment slaagde, de vrachtwagen had in ieder geval geen rijkskenteken nodig: de auto maakte enkel gebruik van de lokale wegen. Pas in 1920 krijgt de fabriek echte bedrijfsauto’s, die dragen dan het provinciale kenteken N-4995 en N-4996.

Bron: Tilburgsche Courant, 12 jan. 1899
Bron: Tilburgsche Courant, 12 jan. 1899. Dank aan Hans Boomer voor de tip.
Op 20 december 1895 maakte Nederland voor het eerst kennis met een automobiel: het was het rijtuig van de Tilburgse wolfabrikant Jos Bogaers. Mondjesmaat kwamen er meer gemotoriseerde voertuigen en overal waar ze verschenen, baarden ze veel opzien: paarden sloegen op hol, de melk van de koeien werd zuur en zwangere vrouwen vreesden voor het leven van hun ongeboren kind. Die reacties waren te vergelijken met wat er gebeurde bij de introductie van de stoomlocomotief. Angst voor het nieuwe. Om nu “te voorkomen dat het gewone verkeer door het gebruik van motorrijtuigen gevaar of overlast ondervindt” vaardigde de Minister van Waterstaat in 1898 een reglement uit. Automobilisten die zich begeven op de rijkswegen moeten in het bezit zijn van een vergunning, waaruit blijkt dat hun voertuig is voorzien van een rem, een helder licht gevende lantaarn en een duidelijk hoorbare bel of hoorn. De bestuurder dient zich te houden aan een maximum snelheid van 20 km per uur op rechte stukken, in bochten en langs huizen moet de vaart verminderd worden tot 8 km per uur. Bij overtreding kan de vergunning worden ingetrokken. Lees meerOntdek het thema

Reacties

Reacties laden…