Terug naar overzichtOverzicht
De eerste automobilisten van Geldrop

De eerste automobilisten van Geldrop

René Bastiaanse

5 mei 2016

Automobilisten voor 1906

Geldrop was rond 1900 een flink dorp met ongeveer 2500 inwoners waarvan een groot deel werkzaam was in de plaatselijke textielindustrie. Je zou verwachten dat de lokale fabriekseigenaren al vroeg auto’s bezaten, maar afgaande op het register van rijkskentekens rijdt er voor 1906 maar één auto rond in Geldrop.

Die stond sinds 1905 met nummerbord 50 op naam van de gebroeders Petrus Wilhelmus en Adrianus Arnoldus Vlemmings, oudste zonen van de rijwielhandelaar Theodorus Vlemmings.

Vader Vlemmings was oorspronkelijk slachter, maar door advertenties in het autoblad De Kampioen weten we dat hij zeker al vanaf 1890 fietsen verkoopt. Oorspronkelijk als bijverdienste, pas in 1898 laat hij zich in officiële stukken rijwielhandelaar noemen.

Als hij sterft in 1900 laat hij vijf zonen achter: de al genoemde Petrus en Adriaan, voorts Johan, Antoon en Hendrik. Afgezien van de vroeg overleden Antoon, zullen de broers het werk van vader voortzetten en uiteindelijk zou het garagebedrijf van de firma Th. Vlemmings uitgroeien tot een begrip in Geldrop en later ook in Eindhoven.

In de vroege jaren beperkten de broers zich echter tot de verkoop van motorrijwielen. Vermoedelijk bouwden ze die in aanvang zelf. Losse motoren van merken als Motosacoche en Saroléa werden in de fiets gemonteerd. In later jaren importeerden ze kant-en-klare motoren van dezelfde merken.

De auto waarvoor de broer Petrus en Adriaan in 1905 rijkskenteken 50 kregen was waarschijnlijk een Darracq Perfecta, overgekocht van J.W. de Louw in Valkenswaard. Een buitenissig model dat nooit echt populair zou worden. De bestuurder zit op een fietszadel, de medepassagier voorop in een zetel.

Opvallend genoeg werd de vergunning die aan de broers Vlemmings op 29 september 1905 was verstrekt amper twee maanden later, op 9 december 1905, weer ingetrokken. Kennelijk werd de auto al snel weer van de hand gedaan. Als in 1906 het systeem van de provinciale kentekens wordt ingevoerd, vragen de drie oudste broers onmiddellijk nieuwe kentekens aan, nu ieder op eigen naam. Ze zijn dan respectievelijk 21, 16 en 19 jaar.

N-83 P.W. Vlemmings; N-349 J.J. Vlemmings en N-897 A.A. Vlemmings. Jongste broer Hendrik (Harry, zie hieronder) moet wachten tot 1914 voordat ook hij een eigen kenteken heeft (N-2130), hij is dan net 16 geworden. Twee jaar later krijgt hij een tweede kentekenplaat: N-3061.

Op 20 december 1895 maakte Nederland voor het eerst kennis met een automobiel: het was het rijtuig van de Tilburgse wolfabrikant Jos Bogaers. Mondjesmaat kwamen er meer gemotoriseerde voertuigen en overal waar ze verschenen, baarden ze veel opzien: paarden sloegen op hol, de melk van de koeien werd zuur en zwangere vrouwen vreesden voor het leven van hun ongeboren kind. Die reacties waren te vergelijken met wat er gebeurde bij de introductie van de stoomlocomotief. Angst voor het nieuwe. Om nu “te voorkomen dat het gewone verkeer door het gebruik van motorrijtuigen gevaar of overlast ondervindt” vaardigde de Minister van Waterstaat in 1898 een reglement uit. Automobilisten die zich begeven op de rijkswegen moeten in het bezit zijn van een vergunning, waaruit blijkt dat hun voertuig is voorzien van een rem, een helder licht gevende lantaarn en een duidelijk hoorbare bel of hoorn. De bestuurder dient zich te houden aan een maximum snelheid van 20 km per uur op rechte stukken, in bochten en langs huizen moet de vaart verminderd worden tot 8 km per uur. Bij overtreding kan de vergunning worden ingetrokken. Lees meerOntdek het thema

Reacties

Reacties laden…

De eerste automobilisten van Geldrop