Terug naar overzichtOverzicht
De eerste automobilist van Best

De eerste automobilist van Best

René Bastiaanse

19 mei 2016

Automobilisten voor 1906

Begin twintigste eeuw reed er in Best maar één auto rond met een rijksnummer en die was van burgemeester J.F.M. Dobbelaere (1856-1936). Johannes Fredericus Maria Dobbelaere, geboren in Best, verdiende zijn fortuin als leerlooier in Schijndel. In 1901 werd hij burgemeester van Best en hij zou dat tot 1929 blijven.

Burgemeester Dobbelaere

Dobbelaere vroeg in 1905 de vergunning aan om te mogen rijden op rijkswegen. Op 25 augustus van dat jaar kreeg hij kenteken 954 voor zijn 6,5 pk Darracq, die hij had overgenomen van de juwelier Van Eijck in Tilburg, die de auto op zijn beurt had gekocht van een fabrikant in Den Haag. Een derdehands exemplaar dus.

Korte tijd later moest Dobbelaere een nieuwe nummerplaat op zijn auto schroeven, in 1906 werd immers het systeem van de provinciale kentekens ingevoerd. Het werd nummerbord N-439.

Het overzicht van provinciale kentekens vermeldt ook nummer N-64, eveneens uitgegeven in 1906, maar op naam van J.F. Dobbelaere te Best. Waarschijnlijk gaat het hier om dezelfde persoon, de burgemeester had althans geen zoons of dochters met passende initialen.

Kenteken N-108 staat op naam van P.F.A.G.M. Dobbelaere te Best. Dit is zonder enige twijfel Petrus Franciscus Arnoldus Guilhelmus Maria, oudste zoon van de burgemeester. Als het kenteken wordt uitgegeven (1906) is hij net nog geen 20. Mogelijk een verjaardagscadeautje van Papa.

Op 20 december 1895 maakte Nederland voor het eerst kennis met een automobiel: het was het rijtuig van de Tilburgse wolfabrikant Jos Bogaers. Mondjesmaat kwamen er meer gemotoriseerde voertuigen en overal waar ze verschenen, baarden ze veel opzien: paarden sloegen op hol, de melk van de koeien werd zuur en zwangere vrouwen vreesden voor het leven van hun ongeboren kind. Die reacties waren te vergelijken met wat er gebeurde bij de introductie van de stoomlocomotief. Angst voor het nieuwe. Om nu “te voorkomen dat het gewone verkeer door het gebruik van motorrijtuigen gevaar of overlast ondervindt” vaardigde de Minister van Waterstaat in 1898 een reglement uit. Automobilisten die zich begeven op de rijkswegen moeten in het bezit zijn van een vergunning, waaruit blijkt dat hun voertuig is voorzien van een rem, een helder licht gevende lantaarn en een duidelijk hoorbare bel of hoorn. De bestuurder dient zich te houden aan een maximum snelheid van 20 km per uur op rechte stukken, in bochten en langs huizen moet de vaart verminderd worden tot 8 km per uur. Bij overtreding kan de vergunning worden ingetrokken. Lees meerOntdek het thema

Reacties

Reacties laden…

De eerste automobilist van Best