Terug naar overzichtOverzicht
De eerste automobilist van Almkerk

De eerste automobilist van Almkerk

René Bastiaanse

18 mei 2016

Automobilisten voor 1906

Je zou het niet verwachten: een autobezitter in het streng protestantse en niet bijster welvarende Almkerk in het begin van de twintigste eeuw. Het dorp was volledig agrarisch en werd overwegend bevolkt door dijkwerkers en rietsnijders die in de Biesbosch hun karige loon verdienden.

Het aantal kapitaalkrachtigen was op één hand te tellen, waaronder de puissant rijke boerenfamilie Den Dekker, woonachtig in het buurtschap Nieuwendijk. Mogelijk dat we in deze familie de autoliefhebber moeten zoeken.

Nieuwendijk kende in de tweede helft van de negentiende eeuw landelijke bekendheid in protestantse kringen door de aanwezigheid van een chique internaat. Vanuit het hele land werden jongens van rijke, gereformeerde ouders naar deze kostschool gestuurd. Ze moesten - behalve de normale uitrusting – ook een zilveren bestek meenemen alsmede drie kostuums: één voor doordeweekse dagen, één voor de zondag en één voor wandelingen. Inderdaad een school voor de betere kringen. 

Herenboer Arie den Dekker was de oprichter en financier van deze onderwijsgelegenheid. Maar hij is niet degeen die in 1905 een rijkskenteken aanvraagt, hij overleed namelijk al in 1894. Het valt overigens te betwijfelen of het bezit van een auto überhaupt wel gestrookt zou hebben met zijn geloofsopvattingen.

Arie den Dekker liet twee kinderen na: een dochter Amalia en een zoon Dionysius. Afgaande op de initialen is het theoretisch denkbaar dat Amalia de eigenaresse was van de auto met het kenteken 1627 - in 1905 is ze nog in leven - maar waarschijnlijk is het niet: een streng gelovige vrouw achter het stuur zou in die kringen en in die tijd ronduit schokkend zijn geweest. 

Haar broer Dionysius kan evenmin de kentekenhouder zijn geweest, maar zijn levenswandel biedt wel nieuwe openingen: die was namelijk geheel afwijkend van die van zijn vader en zuster. Dionysius kreeg hoogoplopende conflicten met de gereformeerde kerkenraad en brak uiteindelijk geheel met de kerk. Illustratief voor zijn bijzondere levensstijl was zijn reactie op een te hoge belastingaanslag door de gemeente Almkerk: hij liet zijn huis in Nieuwendijk afbreken en steen voor steen weer opbouwen in het naburige Andel waar geen belastingen werden geheven.

Dionysius krijgt in 1879 een zoon, Arie. En het is waarschijnlijk deze Arie die op 26-jarige leeftijd als inwoner van Almkerk (hij woonde bij zijn tante in Nieuwendijk) onder de naam A. den Dekker een kenteken aanvraagt voor zijn auto. Het merk is onbekend, we weten alleen dat het voertuig 3,36 meter lang was en 1,50 breed (in die tijd een stevige middenklasser) en op benzine reed. 

Arie den Dekker moet een grote autoliefhebber zijn geweest want hij werd ook meteen lid van de Nederlandsche Automobiel Club (voorganger van de KNAC), een vereniging die zich ten doel stelde ‘het automobielwezen in Nederland te bevorderen’. Zijn passie voor auto’s blijkt ook in latere jaren. In 1906 - als de provinciale kentekens worden ingevoerd - heeft hij maar liefst drie nummerborden op zijn naam staan: N-4, N-5 en N-491. In 1909 komt daar nog een nummer bij: N-857. Verzamelaar, autohandelaar of had hij een transportbedrijf? We weten het niet. Wel is zeker dat hij 1910 wethouder is in Almkerk. Onder zijn bestuur wordt dan de weg Almkerk-Woudrichem erg verbeterd. Goed voor de lokale economie, maar ook voor zijn eigen wagenpark.

Het mes snijdt aan twee kanten.

Op 20 december 1895 maakte Nederland voor het eerst kennis met een automobiel: het was het rijtuig van de Tilburgse wolfabrikant Jos Bogaers. Mondjesmaat kwamen er meer gemotoriseerde voertuigen en overal waar ze verschenen, baarden ze veel opzien: paarden sloegen op hol, de melk van de koeien werd zuur en zwangere vrouwen vreesden voor het leven van hun ongeboren kind. Die reacties waren te vergelijken met wat er gebeurde bij de introductie van de stoomlocomotief. Angst voor het nieuwe. Om nu “te voorkomen dat het gewone verkeer door het gebruik van motorrijtuigen gevaar of overlast ondervindt” vaardigde de Minister van Waterstaat in 1898 een reglement uit. Automobilisten die zich begeven op de rijkswegen moeten in het bezit zijn van een vergunning, waaruit blijkt dat hun voertuig is voorzien van een rem, een helder licht gevende lantaarn en een duidelijk hoorbare bel of hoorn. De bestuurder dient zich te houden aan een maximum snelheid van 20 km per uur op rechte stukken, in bochten en langs huizen moet de vaart verminderd worden tot 8 km per uur. Bij overtreding kan de vergunning worden ingetrokken. Lees meerOntdek het thema

Reacties

Reacties laden…