Toen Woudrichem in 1877 een nieuwe burgemeester moest krijgen, leverden de verwikkelingen aardige staaltjes dorpspolitiek op. Volgens jonkheer Bosch van Drakestein, de Commissaris des Konings, was wethouder J.L. Kingmans de beste opvolger voor burgemeester W. Gelderman.
Tegen Kingmans rezen binnen Woudrichem echter grote bezwaren, omdat hij tevens ‘eene slijterij in sterken drank’ dreef. Volgens de Woudrichemse politieke elite was raadslid en ambtenaar van de burgerlijke stand, W.A.C. van der Colff, een betere kandidaat. Van der Colff stamde uit een familie die binnen Woudrichem diverse ambtenaren en notarissen had geleverd, maar in `s-Hertogenbosch twijfelden de provinciale bestuurders sterk aan zijn persoonlijke kwaliteiten.
Door ‘gebrek aan doorzicht en belangstelling in het richtig en ordelijk beheer van de gemeente’ ontbeerde hij de nodige ‘geschiktheid en bekwaamheid’ voor een goede vervulling van het burgemeestersambt. Daarom was hij volgens het provinciebestuur niet de juiste man om ‘in den treurigen toestand van zaken in de gemeente Woudrichem gunstige verandering te brengen’.
Hoewel men aanvankelijk ook in Den Haag voor Van der Colff geporteerd was, kregen de provinciebestuurders hun zin. A.M.E. des Tombe, in 1850 te Heusden geboren als zoon van een inspecteur bij de rijksbelastingen, werd de nieuwe burgemeester. Hij was van huis uit hervormd en met zijn 27 jaar nog erg jong voor de functie van burgemeester. Op 28 februari 1877 werd Des Tombe als burgemeester geïnstalleerd en bij die gelegenheid toegesproken door wethouder Kingmans: ‘aanvaard (…) met jeugdigen moed en volhardenden ijver den U opgedragen werkkring, de heilrijke vruchten van uwen arbeid zullen onder Gods zegen voor onze gemeente niet uitblijven’.
Al in mei 1879 verruilde Des Tombe het burgemeestersambt van Woudrichem voor dat van IJsselstein. Slijter Kingmans werd toen alsnog tot burgemeester benoemd. Van der Colff was op dat moment geen wethouder meer, maar enkel nog gewoon raadslid.


